Ik ben een zeikwijf. Een van de allerergste soort. Ik hoor bij de bekende ‘wij Nederlanders’, want wij Nederlanders houden van klagen. Boven de dertig graden Celsius is ab-so-luut een catastrofe, onder de nul een regelrechte ramp. Vanuit mijn dakraam geen vriendelijk oranje pannen, nee, deze week zijn de krengen wit. Dit betekent: de deur op slot, de kachel op zeven, en o had ik maar een bad.
Omdat er na iedere korte vakantie een iets langere lesperiode volgt, is de dag toch aangebroken: ik moet naar buiten. Twee truien, twee sjaals, één handschoen. Verdomme, waar is de linkerhelft? Na flink graven blijkt dat onder in mijn winterjas te zijn; de voering is compleet naar de filistijnen. De verdere vondst omvat flink wat gebruikte tissues, een plastic walkietalkie – in mijn zak gepropt tijdens het spionnenfeest van een oppaskind – maar ook een gedateerde sleutel van een toch al gestolen fiets.
Fietsen zit er niet in vandaag. Weet je hoe hard je kunt vallen? Héél hard. Dat ervoer ik in de brugklas van mijn kleurrijke middelbareschooltijd. Toen kon er namelijk nog wèl onder het Rijksmuseum doorgereden worden. Je mocht alleen niet echoënd je naam schreeuwen, dat was niet cool. Enfin. Aan de Museumkwartierkant liep de weg schuin af naar beneden. Dat heb ik geweten, en met mij twintig anderen. Net Domino Day.
Glibberend stap ik van de zwembadvloer die ‘tram’ heet, het voetpad op. Even later kruis ik de Keizersgracht. Voor de brug hangt een afzetlint, erachter brult een waaghals naar zijn vrienden: ‘Fuckers, I’m gonna jump!’ Ik hoop vurig dat hij erdoorheen zakt, dat hij zich doodschrikt, in huilen uitbarst tegenover zijn net zo stoere maten, en dat de politie het bibberende jong tenslotte een foliedeken om de schouders legt. Op dat punt jat ik zijn schaatsen. ||| Gina Miroula




reacties2
Maat 37?
Inderdaad, dat was een mooie tijd, toen er nog onder het Rijksmuseum doorgefietst kon worden.
Reageer zelf. (Maar houd je aan de huisregels)