Ik smijt mijn fiets tegen de gevel van het huizenblok waar ik woon. Mijn timing is perfect. Driftig komt mijn buurvrouw aanlopen. ‘Wat ben je aan het doen?’ vraagt ze wantrouwig. Ik kijk haar aan. Volgens mij is het best een taaie tante. Sinds ik hier woon hebben we nog nooit een woord met elkaar gewisseld. Vaak voel ik haar blik in mijn rug branden als ze me nastaart vanachter haar raam.
Ze staat vaak voor het raam. Mijn huisbaas vertelde me dat ze na de dood van haar man beroofd is. Door Nigerianen. Haar hele spaarrekening werd leeggehaald. Ze komt op mij altijd eenzaam over. Zo’n verborgen eenzaamheid die in schril contrast staat met een stad als Amsterdam. Dat je al vijf dagen dood bent en niemand het weet of iets kan schelen. ‘Ze heeft een hekel aan buitenlanders,’ waarschuwde mijn huisbaas ooit. Ik denk dat zulke mensen gewoon bang zijn. Bang omdat de wereld om hen heen verandert en zij die niet begrijpen.
‘Dag mevrouw Jonker, ik zet mijn fiets hier even neer. Ik ga me even omkleden, het is warm buiten.’ Ze zet haar boodschappentas neer en wijst naar mijn armen. De diepe groeven in haar gelaat verraden dat ze nogal wat heeft meegemaakt in het verleden. ‘O, is dat zo? Of hunker je iets te veel naar de lente?’ lacht ze naar me. Ik wrijf over mijn blote armen. Kippenvel.
‘Heeft u zin om een keer koffie te drinken?’ vraag ik voorzichtig. Ze pakt haar boodschappentas weer op en loopt me voorbij. ‘Je hoeft me niet te tutoyeren. Ik heet Ellen. Maar kom maar een keer langs.’ Haar deur valt dicht. Ik loop naar boven om me om te kleden. Terwijl ik wegfiets, voel ik weer dat ze me nastaart maar het voelt niet ongemakkelijk meer aan. Uiteindelijk zijn we allemaal eenzaam, denk ik. ||| Fatihya Abdi


reacties2
“Je hoeft me niet te tutoyeren”, moet denk ik “vousvouyeren” zijn…
fijn, jij
Reageer zelf. (Maar houd je aan de huisregels)