Het was mijn vijftiende verjaardag. Mijn bovenlip werd bedekt door een strook zwarte donshaartjes. Ik at van de slagroomtaart van de Hema. Op mijn gezicht prijkte een lach die deed vermoeden dat ik een gelukkige jongen was. Maskerade. Ik was diep verzonken in gepeins. Ik had twee grote doelen voor ogen. Het eerste en meest gewichtige plan was door een echt levend wezen ontmaagd worden. Ik was volledig uitgekeken op het misbruiken van mijn slaapkussen. Wat had het arme kussen met mijn lusten te maken?
Het eerste streven kon alleen slagen als het tweede lukte; vakkenvuller bij Albert Heijn worden. Als ik daar aan de bak kwam, kreeg ik geld tot mijn beschikking. Dan kon ik populaire kleding aanschaffen, de entree van de plaatselijke disco’s betalen en een rondje geven. Misschien maakt geld niet gelukkig, maar de afwezigheid ervan is hetzelfde als dood water.
De taart smaakte mij niet meer. Ik had te veel last van mijn hoofd en kruis. Het schoteltje legde ik op tafel en ik rende naar de supermarkt om te solliciteren. De volgende dag droeg ik een blauwrood hesje en vulde producten bij in de schappen van het sauzen en zurenpad.
Een paar weken later werd een bedrag op mijn bankrekening bijgeschreven dat mogelijkheden verschafte. 231,85 gulden. Ik hees mij in de mode van die tijd en schoor mijn snor. In de week dat het salaris werd gestort, was het traditie dat de vulploeg en de caissières zaterdagavond gezamenlijk gingen dansen. Ik ging mee. In de deuropening van bardancing Lobbes stond een uitsmijter met een koekenpanvoorhoofd, die de rol van goedaardige sukkel uitstekend vervulde. De toegang was vanaf zestien jaar. Ik zag eruit als twaalf, maar mocht doorlopen. Uit de boxen klonk: ‘Don’t wanna short dick man.’
Het was een goed jaar. ||| Asis Aynan



reacties0
Reageer zelf. (Maar houd je aan de huisregels)