Ha Vincent,
Zalig, het jaren zestig anti-oorlogsverzet aan de John F. Kennedy in Berlijn. Het engagement op de grande école Sciences Po is iets conventioneler. Maatschappelijke discussies vinden plaats met een sigaretje bij de centrale ingang. Om beurten beoefent men zo de Sciences Polémiques (als de pauzesessies niet genoeg zijn, word je lid van de gelijkgenaamde studentenvereniging). Met de Franse presidentsverkiezingen om de hoek is er veel om over te praten, maar dat gebeurt vooralsnog op kalme wijze. Hierover wellicht meer tegen de tijd dat ik het versta. Dat leidt mooi in op je vraag of ik op de rijdende trein genaamd langue française heb weten te springen.
Er hoeft geen Noam Chomsky aan te pas te komen om de macht van taal te begrijpen. De macht van taal is overal. Het is niet alleen daar waar ik er bang voor was – in de collegezaal met een Franssprekende geleerde ervoor of in een academisch artikel. De macht van taal zit vooral in de dagelijkse besognes. Hierin jongleer je met emoties (meer dan in de collegezaal over het algemeen) en precies daar waar de emotie gaat meedoen begint de keiharde confrontatie met de machteloosheid in een vreemde taal.
Neem mijn supermarktbezoek van verleden week. Ik rekende zeventien euro af, gaf een briefje van twintig, maar kreeg twee munten van een euro terug. Ik zag dit terwijl de munten in mijn portemonnee vielen. Ik pakte ze terug en hield ze omhoog met een ‘ja hoor eens!’ blik. De caissière keek wezenloos terug. Ik moest woorden gaan gebruiken, en deze Parisienne wist dat zij daarmee zo goed als gewonnen had.
‘Ce n’est pas correct!’
Ze bleef wezenloos kijken, alsof dat geen Frans was.
‘Quoi?’
‘Ce n’est pas correct, le remboursement.’
Nou, zij meende dus van wel en al snel werd dit een welles-nietes pingpong. Een collega wierp zich op als mediator en we moesten elk onze kant van het verhaal uitleggen. Ik was inmiddels boos geworden. Mijn gezicht stond boos, mijn lichaamshouding was boos, nu nog bijpassende boze woorden op een boze toon:
‘Il faut un euro.‘
Ehm, nee.
‘Il faut que j’ai un euro rembourse.’
O nee, volgens mij hoort hier een subjunctief, een fossiele werkwoordsvorm die ze in veel Latijnse talen nog gebruiken. Gaat-ie opnieuw:
‘Il faut que j’aille un euro remboursé’.
Het was vast nog steeds niet helemaal Frans, maar ze moesten inmiddels wel begrijpen wat ik bedoelde. De glazige blikken deden het tegendeel vermoeden. Het kwam vast doordat ik de beleefdheidsregels vergeten was (die moet je altijd gebruiken, ook – of juist – als je boos bent. De boosheid moet je dan wel nadrukkelijk in de toon tot uiting laten komen).
‘Il faut que j’aille un euro remboursé, s’il vous plait.’
Dat klonk dus helemaal niet boos. Ik voelde me zo gevangen. Intussen prikten veel Franse ogen uit de rij me in mijn rug. Ik besloot het maar te laten zitten. Het was toch maar een euro.
Maar het was meer dan een euro. Ik zat er de rest van de dag over in, en dit incident staat model voor vele scènes bij vakadministraties, metrobalies, winkels en andere alledaagsheden waarin de krachtmeting in de communicatie geschiedt. Ik ga zo op introductieweekend, dus het wordt tijd om deze brief uit Parijs af te ronden. Voor de goede orde: als je in het Frans je (wissel)geld wil vragen zeg je: ‘Il faut me rendre un euro.’
Hoe is het uitwisselingsbestaan in Berlijn? Voel je je wel eens onmachtig in het Duits?



reacties0
Reageer zelf. (Maar houd je aan de huisregels)