Kort geleden ging in Amerika de nieuwe film Looper in première. Deze nieuwe actiethriller met Bruce Willis en Joseph Gordon-Levitt is commercieel gezien geen blockbuster van Inception-formaat worden, maar is wel meteen door critici en sciencefictionfans omarmd als een buitengewoon geraffineerd spel met de vele paradoxen die het idee van tijdreizen met zich meebrengt. In Nederland moeten we nog tot eind november wachten op de première, maar in de komende weken blikken we eerst terug op hoogtepunten uit de geschiedenis van dit genre. Deze week: terug in de tijd naar de conservatieve jaren tachtig.
Voor negentiende-eeuwse auteurs als Washington Irving en H.G. Wells draaide het idee van reizen door de tijd met name om de toekomst: in ‘Rip van Winkle’ zien we hoeveel er in enkele decennia kan veranderen en in The Time Machine worden zowel de verleidingen als de gevaren van een moderne industriële economie gedemonstreerd. Het idee van een tijdmachine zette vooral aan tot speculaties over de toekomst: waarom zou je ermee naar het verleden gaan als je ook de wondere wereld die over de horizon ligt kunt verkennen? Ook de tijdreisscenario’s van Star Trek in de jaren zestig waren in wezen gebaseerd op deze positieve kijk op de menselijke ontwikkeling: als de bemanning van de Enterprise terugreisde in de tijd naar de twintigste eeuw was dat vooral om te zorgen dat de mensheid op de juiste weg bleef, op weg naar de technologische utopie van de toekomst.
In de jaren tachtig kwam er verandering in deze vooruitziende blik. De regering van president Ronald Reagan wilde Amerika helpen herstellen van de militaire nederlaag in Vietnam en de economische crisis van de jaren ’70, en deed dat vooral door terug te kijken naar het glorieuze Amerikaanse verleden. De conservatieve waarden van het naoorlogse Eisenhower-tijdperk werd gekoppeld aan de economische bloei van de jaren vijftig. De utopische samenleving lag daarom niet meer in de futuristische wereld van morgen, maar in het gevoel van nostalgie voor een (grotendeels fictief) verleden.
Deze tendens werd duidelijk geïllustreerd door de films over tijdreizen uit de jaren tachtig. Het duidelijkste voorbeeld is het onvoorstelbaar succesvolle Back to the Future (1985), waarin tiener Marty McFly door een tijdmachine teruggeslingerd wordt naar 1955. Het contrast met zijn eigen tijd is schrijnend: het stadje Hill Valley ligt in de jaren tachtig vol vuilnis, het stadsplein wordt gedomineerd door pornotheaters, en de muziek die hij maakt, wordt door zijn tijdgenoten niet gewaardeerd. Hetzelfde plaatsje blijkt anno 1955 niet alleen schoner en gezelliger te zijn, maar biedt ook duidelijke normen en waarden die het gezin tot hoeksteen van de samenleving maken. De film idealiseert daarmee impliciet de conservatieve politieke, sociale en economische waarden die Reagan in zijn beleid centraal stelde.
Ook The Terminator (1984) stelt het teruggaan in de tijd centraal. Hierin reist een robot uit de toekomst terug in de tijd naar het jaar 1984, op jacht naar de vrouw die ooit de moeder zal worden van een toekomstige verzetsheld. In deze film zien we niet zozeer de superioriteit van een nostalgisch Amerikaans verleden, maar wordt de neerwaartse historische spiraal verder doorgetrokken. Net als in Back to the Future is het Amerika van de jaren tachtig een deprimerende omgeving, waar daklozen, drugsverslaafden en agressieve punkers het straatbeeld bepalen. De grotere historische lijn is er niet meer een van eindeloze ontwikkeling en vooruitgang, maar geeft juist een beeld van aftakeling en verval, waarbij de toekomst apocalyptische vormen aanneemt. De enige hoop ligt in een terugkeer naar een vorm van religiositeit: de belofte van een messias die de mensheid na een allesvernietigende oorlog een nieuw begin zal bieden. Opnieuw zien we dan ook dat het teruggaan in de tijd gelijk staat aan een conservatisme dat geheel in de lijn ligt van de politieke tendens van dat tijdperk.
Wordt vervolgd…


reacties0
Reageer zelf. (Maar houd je aan de huisregels)