Vorige week werden de Oscarnominaties bekendgemaakt, en de gebruikelijke discussies barstten meteen los: was 2011 een goed filmjaar, of was het maar matig? Is er door de leden van de Academy gestemd op publieksfavorieten, of zijn de nominaties gevallen op films die goed gerecenseerd werden? En zijn de Oscars eigenlijk nog wel relevante filmprijzen, of is deze ceremonie weinig meer dan een slimme marketingtechniek om Hollywoodfilms aan de man te brengen? Hoe het ook zij, aan de nominaties is duidelijk af te leiden dat nostalgie momenteel hoogtij viert op het witte doek.
Deze nostalgische insteek is het duidelijkst af te lezen aan de grootste kanshebber The Artist, het Franse eerbetoon aan de zwijgende film. Gedraaid in toepasselijk zwart-wit en met de ouderwetse, ‘vierkante’ beeldverhouding van 4:3 is deze film zeker opvallend te noemen. Het is geen publieksfilm van het formaat van Titanic of The Lord of the Rings: The Return of the King, maar toch heeft The Artist zich ontpopt als een film die een verrassend groot publiek heeft weten te charmeren.
Aan charme ontbreekt het dan ook geenszins in het luchtige The Artist, waarin de conventies van de zwijgende film de acteurs een excuus geven om geheel onbeschaamd te schmieren voor de camera. Dat het verhaaltje luchtig en voorspelbaar is, of dat de film uiteindelijk weinig op heeft met de werkelijke geschiedenis van de opkomst van de sprekende film, zal de lol voor de meeste kijkers zeker niet bederven. Je kunt je zelfs afvragen of het merendeel van het publiek ooit een volledige stomme film heeft gezien.
Ook de nieuwe Scorsese-film Hugo grossiert in nostalgie voor de vroege filmgeschiedenis. En ondanks het hypermoderne gebruik van 3D-technologie doet deze film dat op een manier die de kijker juist graag wil onderwijzen over de bijzondere esthetische conventies van de ‘primitieve’ zwijgende films van Georges Méliès. Als familiefilm slaat Hugo daarom de plank enigszins mis: cinefielen blijken veel meer dan kleine kinderen bereid te zijn om ruim tweeënhalf uur naar een ode aan een voor velen onbekende grootmeester van de zwijgende cinema te kijken.
De andere grote genomineerde films zijn ook veelal op de een of andere manier geobsedeerd met het verleden: Woody Allens Midnight in Paris staart zich stuk op het Parijs van de jaren ’20, War Horse speelt zich af tijden de Eerste Wereldoorlog en doet aan als een film uit de jaren veertig, The Help geeft een rooskleuriger beeld van racism in het zuiden van Amerika in de jaren zestig, en Tinker Tailor Soldier Spy en The Iron Lady houden zich bezig met de Koude Oorlog en de politieke debatten van de jaren tachtig.
Twee films die bij critici hoge ogen gooiden, waren tot veler verbazing afwezig op de lijst van genomineerde films: Lars von Triers Melancholia en Jeff Nichols’ Take Shelter werden door velen getipt als grote kanshebbers, in ieder geval voor regie en voor acteerprestaties, maar geen van beide titels werd onder de genomineerden genoemd. Het past precies in het plaatje dat door de genomineerde films geschetst wordt: nostalgie doet het op het grote doek momenteel beter dan films over het einde van de wereld.



reacties0
Reageer zelf. (Maar houd je aan de huisregels)