We proberen altijd onze kinderen bij academische activiteiten te betrekken. Zeker toen ze nog jong en politiek incorrect waren, kon dat soms tot wat pijnlijke situaties leiden. Zo herinner ik me een facultaire borrel, waar mijn vijfjarige zoontje erop stond om aan iedereen vragen of hij of zij ‘mijn vriendje was’. Mijn vriendenkring is nog nooit zo groot geweest als die dag.
Of de gelegenheid waarbij een ander schatje bleef doorvragen wie nu precies mijn baas was en of die dan ook echt zo veel slimmer was. Toch zijn die ervaringen, van een handtekening van André Kuipers tot een potje badminton met een Nobelprijswinnaar, in de woorden van een creditkaartenverkoper ‘onbetaalbaar’. De grootste zorg is dat de kinderen je niet te veel voor gek zetten.
Een oude man vertelde me wat dat betreft het beste verhaal. Lang geleden, nog voor de oorlog, had zijn vader de gelegenheid om met het gezin een bezoek te brengen aan Albert Einstein. Maar voordat ze de autorit naar Princeton gingen maken, moesten de kinderen wel eerst goed geïnstrueerd worden. Vandaag zouden ze een belangrijk man ontmoeten, misschien wel de belangrijkste man die ze in hun hele leven zouden ontmoeten. Ze moesten zich dus netjes gedragen. Dat was niet gemakkelijk, want deze man was anders dan anderen. Hij droeg geen sokken en zijn haar stond alle kanten op. Vader zou die dag dan ook het woord doen.
Zo gezegd, zo gedaan. Op hun paasbest melde het gezin zich voor de deur van de beroemde geleerde. De deur werd opengedaan door een persoon die precies voldeed aan de beschrijving. Geen sokken en wilde grijze haren die alle kanten op stonden. ‘Dag, professor Einstein,’ zei de vader plechtig.
Waarop de persoon zei: ‘Ik ben zijn zus.’
De kinderen kwamen niet meer bij van het lachen. ||| Robbert Dijkgraaf


reacties0
Reageer zelf. (Maar houd je aan de huisregels)